Hieronder één van de vele verhalen die we ondertussen hebben mogen meemaken. Indien u na het lezen hierover, vragen heeft, kunt u deze gewoon stellen.
John Harrison.
“Zin om vanavond even een wandelingetje te maken? “ vroeg ik aan Irma.
“Ja lekker hoor”. Was `t antwoord. En aldus liepen we vrolijk in het donker door de Mookse straten, en langs het kanaal om even een aardse frisse neus te halen.
Op een gegeven moment wilde Irma even over de geallieerde begraafplaats lopen. “Gevoelsmatig moet ik daar naar toe”.
Daar, volledig in het donker, zag Irma ineens een man staan bij een boom, die daar geplaatst is in de hoek van het kerkhof.
Hij stelde zich voor als ene John. Zijn achternaam kon hij niet meteen geven, maar wel een hint die daar na toe leidde.
“Het is de achternaam van de 4de Beatle” Zei hij vrij onrustig. Toen wij de naam `Harrison` zeiden, gaf hij door dat dat zijn achternaam was.
“Ik ben alleen gestorven … door bloedverlies …mijn benen…gewond……de anderen zijn er niet …ik lig aan de rechterkant van het kerkhof…op de eerste rij...de zesde steen is het !..”
Wij gingen kijken. De steen vermelde dat er een onbekende soldaat lag van de R.A.F. (Royal Air Force---Engelse luchtmacht in de 2de wereld oorlog---).
“Ja dààr lig ik !!!” was zijn reactie. “En niemand die het weet…ik ben 21 jaar…en daar lig ik!!!!…”
Tja, wat moet je daar dan mee, vraag je je af ? We besloten om dezelfde week nog naar het Oorlogsmuseum in Groesbeek (dat specifiek over operatie Market Garden gaat) te gaan, om daar proberen te achterhalen of er daadwerkelijk ene John Harrison überhaupt meegedaan heeft, en zo ja, om zijn naam bekend te maken.
Eerst namen we wat tijd om het museum te bekijken, waarbij ineens veel emoties los kwamen.
Niet alleen John was met ons meegegaan. “We worden ook vergezeld door andere soldaten.” zei Irma. "Hun emoties is hetgeen wat we nu voelen".
“Ja” zei ik.” 4 geallieerden en 8 Duitse soldaten”.
“Kan je ze dan zien?” vroeg ze. “Nee” zei ik. “Maar één Duitser heet `Bernd`, en die jonge jongen heet 'Jürgen' ”.
“Klopt” zei Irma. “Bernd is de oudste van het stel, en Jürgen is slechts 14 jaar…”. Ondertussen daalde de temperatuur zoals gebruikelijk weer om ons heen, en was Irma in gesprek geraakt met hen.
Het is een klein museum dat door vrijwilligers draaiende wordt gehouden. En zeer zeker de moeite waard is, wanneer je je wat meer wil verdiepen over de strijd die hier in de omgeving (Mook-Groesbeek-Nijmegen) heeft plaatsgevonden.
In een hoek van het museum werd een video getoond. Het was een originele Duitse verslaggeving over de strijd, maar vooral over de verwoestingen die de Duitse steden betrof. De Duitse soldaten lieten weten vreselijk bang te zijn geweest. Enorme angst speelde toen bij hen. Meer dan bij de Geallieerden. Ze wisten dat ze zouden sterven. Gedood zouden worden voor een hopeloze zaak. “Allemaal voor een grote idioot” zeiden ze.
Er staat ook een bolvormig gebouwtje naast het museum, waarin veel aandacht is besteed, aan de namen van de gevallen en vermisten soldaten.
Mooie zuilen, overal emblemen, en klappers, waarin je werkelijk iedereen bijna kan terug vinden die meegedaan heeft.
Het embleem op de steen van John hadden we onthouden wat het zoeken zou vergemakkelijken. Na een eerste klapper te hebben doorgenomen van duizenden namen,besloten we ondanks half bevroren voeten toch de 2de door te worstelen.
Soms kwamen we een `Harrison` tegen, maar dan klopten de voorletters weer niet. Doorgaan dus maar. Irma zei toen; “Hij staat ergens achterin de klapper”. En ja hoor, eindelijk wees Irma de naam aan.
J.A.Harrison….John (Andrew?). Vermist op de 11de november van 1944, en nooit terug gevonden.
John liet weten erg blij te zijn met het feit dat hij hier nu in deze lijsten teruggevonden was.
Ook kwamen we de naam Adam Patwick tegen, waarbij John meteen enthousiast reageerde met :"Dat is mijn vriend Adam !"
Vol goede moed gingen we met deze pagina naar de balie, om vervolgens door te geven dat de onbekende soldaat op de zesde steen John is.
“Ow, da`s mooi”zei de vrouw. “En hoe weet U dat?”
“Hij heeft het ons zelf verteld” was ons antwoord.
Toen werd er een man bijgehaald, die volgens de vrouw aan de balie `alles `wist over de namen, het hoe, en waar het plaatsvond.
Het bleek een akelig, overkomende, naargeestig persoontje te zijn, die al meteen zijn “superieure ratio” liet gelden. Althans dat dacht hij te kunnen met een boek vol gegevens van uit die tijd verzamelde feiten. "Feiten die niet 100% waterdicht zijn aangezien veel gegevens verloren gingen of niet meer waren te achterhalen na verloop van tijd", zoals hijzelf wist te vertellen.
“De persoon waar jullie het over hebben is een piloot van de RAF en is met zijn toestel ergens in de Noordzee neergestort volgens deze gegevens. Dus probeer maar te bewijzen dat het deze persoon is waar jullie het over hebben. Ik geef jullie weinig kans" zei hij heel voldaan.
Duidelijk werd in de loop van het gesprek, dat we tegen een muur van weerstand aan liepen.
Teleurgesteld, dat we zijn naam nu niet meer in de steen konden krijgen, namen we een appelgebakje en warme drank, vanwege de koude in het restaurantje.
“Het is al goed” zei John. “Laat maar”. Hij was al lang blij dat zijn naam hier was teruggevonden, en dat ze hem niet helemaal vergeten waren. Ook was hij allang blij, dat mensen voor hem moeite hebben gedaan.
John had al eerder doorgegeven dat hij ergens was neergestort in een brandend vliegtuig, maar niet wist waar, en gewond aan beide benen, daardoor doodbloedde.
Aan de tafel daar, zei ik tegen John, dat ik een kaartje voor hem zou gaan maken, om dat bij zijn steen neer te leggen, met een kaarsje daarbij.
John uitte zijn dank door te zeggen, dat ondanks op zijn steen “unknown” zou blijven staan, hij het zeer waardeerde, dat zijn naam nu wel bij de steen kwam te liggen, en dat als een soort begrafenis zag. Hierdoor kon hij de rust krijgen waarna hij zocht.
Alle soldaten die ondertussen ons vergezelden (Geallieerden en Duitsers) zouden wachten tot die tijd, om het gezamenlijk mee te maken. Ook zij zagen dit als een soort broederlijk afscheid.
's Avonds aangekomen bij de poort van het kerkhof in Mook waren ze er allemaal al. Van hen uit ging een respectvolle rust. Na het plaatsen van een kaartje waarop staat; J.A. Harrison. RAF age 21, en een kaarsje met daarbij een wierook staafje, ging John achter zijn steen staan. De andere soldaten stonden rond hem.
“Thanks”zei hij meermaals.
Na het nemen van een paar foto's zei Irma dat ze nu wel naar `t Licht mochten gaan.
Maar dat wilden ze niet. Pas wanneer wij het kerkhof hadden verlaten wilden ze gaan.
Ze zeiden dat ze elkaar niet meer als vijanden zagen nu, maar als broeders.
“Zinloos” werd de strijd, “die we tegen elkaar voerden” genoemd.
Daarop namen ze elkaar allen bij de hand, zodat er èèn grote kring gevormd werd, om te laten zien, dat ze nu een eenheid waren.
Halverwege op het kerkhof bij een groot stenen kruis stonden ze, en keken hoe wij het terrein verlieten. Daar zwaaiden ze ons uit.
Vervolgens gingen ze gezamenlijk naar `t Licht.
---Op dit moment geven ze door dat oorlog zinloos is, en het hen nu de rust gegeven heeft, waarop ze zolang naar op zoek waren.
“Na het aardse bestaan is alles eenheid. Als jullie dat op aarde allemaal zouden kunnen inzien, zou oorlog niet meer bestaan. Onze kern is allemaal hetzelfde”.---
En met deze wijze woorden sluit ik deze brief af.
-Deze brief hebben we geschreven zodat ze niet vergeten zullen worden.-
----------Enkele maanden later--------- Nog regelmatig gaan Irma en ik samen naar het kerkhof in Mook. Bij de steen van John staat nu een kaarsenhouder, waar we af en toe een lichtje voor deze helden brandden.
We zijn daar nooit alleen. Steeds weer komen er nieuwe soldaten “tevoorschijn", die ons hun verhaal willen vertellen.
Sommigen van hen hebben niet eens door dat ze dood zijn.
Gelukkig krijgen we vaak hulp van John. Hij is een geweldige schakel. Ook Adam Patwick, begraven onder een steen met de tekst "Unknown", biedt soms een helpende hand.
De 14 jarige jonge Duitse soldaat Bernd komt ons ook wel eens helpen wanneer er Duitse soldaten het niet meteen willen geloven. Want in hun ogen kan het ook valse info van de 'vijand' zijn. Bernd heeft het moeilijker om ze te overtuigen, omdat een volwassene veel minder snel iets aanneemt van een “14 jarige” . Soms wordt hij zelfs voor verrader uitgemaakt.
Vorige week, hebben we een lang en goed gesprek gehad met een Duitse Officier die Herbert Kahn heette.
Getrouwd, twee kinderen, muziekleraar, rustig en vriendelijk van karakter, en voorzien van een goed stel werkende hersens.
Hij had in de oorlog een Duitse herder, om daar de geallieerden mee op te sporen. Ik deelde mijn liefde voor dit ras meteen met hem. Honden hebben ook in mijn leven een speciale plaats gekregen.
Echt overtuigen konden we hem nog steeds niet, dat de oorlog allang was afgelopen.
Zelfs met Bernd erbij gelukte het niet, maar toen we op het kerkhof stonden, kwam John ons gelukkig weer de helpende hand bieden. Samen met een Amerikaan die daar takken aan het plukken was om zich te camoufleren, nam hij ze mee naar het Licht.
Herbert beloofde terug te komen als alles wat wij hem zeiden waar was. Ik ben er van overtuigd dat hij ons straks zal meehelpen om dan vooral de Duitse soldaten te overtuigen…
Geschreven door Marco Pothuizen, en bijgewerkt door Irma Motké.
